Als je kijkt naar de kinderopvang in Nederland zie je dat deze, tot in de kleinste details, zwaar gereguleerd is. Niet vanuit de behoefte van kinderen, maar vanuit beheersbaarheid en risico mijden.

Voorbeelden:

 “Kinderen moeten buiten minimaal 3 vierkante meter buitenruimte hebben. Speeltoestellen moeten altijd voldoen aan het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen. Hiervoor moet de kinderopvanglocatie een certificaat kunnen aantonen. De bodem onder het speeltoestel moet schokdempend zijn voor als een kind valt. Binnen moeten kinderen minimaal 3,5 vierkante meter tot zijn beschikking hebben. Er moet voor minstens 5 procent van het vloeroppervlak aan ramen in een pand zijn. De buitenmuur moet een geluidswering hebben van 20 decibel of meer”

“Voordat de kinderen gaan eten wassen zij (onder begeleiding van een pedagogisch medewerk(st)er in verband met controle van goede verdeling van zeep, schoonspoelen en afdrogen) altijd goed hun handen. Of er met de handen wordt gegeten, bijvoorbeeld bij brood, of met bestek, bijvoorbeeld bij warm eten, maakt niet uit. Als er handen worden gewassen, gebeurt dit altijd met desinfecterende zeep en we drogen allemaal onze handen af met papier dat weggegooid wordt of met een schone handdoek. Gezichten en monden worden gereinigd met een lotiondoekje na bijvoorbeeld het eten”

Daarnaast is er een grote, stevige waakhond, de GGD, er op uit gestuurd door de gemeente, die volop aanwezig is en de, soms rigide, in detail omschreven regeltjes dan ook prima kan controleren en voorzien van allerlei sancties

“Kinderen hebben goede wettelijke bescherming nodig, maar we zijn nu te ver door geschoten in onze regelzucht, meent het adviesorgaan. Actal adviseert de regering en de Staten-Generaal om de regeldruk zo laag mogelijk te maken voor bedrijven, burgers, en professionals in de zorg, onderwijs, veiligheid en sociale zekerheid”

Overregulering in kinderopvang

In deze zwaar gereguleerde en uniforme bedrijfstak voor kinderen van 0-4 jaar ligt schaalvergroting en het creëren van winstgevendheid op de loer. Daar waar je in het onderwijs van 4-12 jarigen steeds meer diversiteit ziet, kom je dat in de kinderopvang veel minder tegen. Uitgaande dan van beperkte mogelijkheden om aan de bovenkant van de tarieven onderscheid te maken, alles is toch strak gekoppeld aan de kinderopvangtoeslag die door de overheid wordt bepaald, is winstgevendheid dus alleen te vergroten door uniformiteit en schaalvergroting.

Opmerkelijk dat in het basisonderwijs de schaalvergroting op bestuursniveau en schoolniveau helemaal niet doorzet. Daar waar de angst er jaren is geweest voor te grote schoolbesturen is dit landschap, aan de bovenkant, nauwelijks veranderd. Waren tien jaar geleden er een aantal, vooral stedelijke grote schoolbesturen in het basisonderwijs, dan zijn dat nu nog steeds dezelfde besturen. Wel is zichtbaar dat schaalvergroting aan de onderkant wel doorzet. Dus veel meer kleinere schoolbesturen, met 2-5 scholen, gaan op in wat grotere bestuurlijke eenheden, 10-20 scholen. Een logische ontwikkeling, want samen sta je sterker.

Maar hoe verhoudt deze schaalvergroting zich nu in relatie tot de constatering van de Inspectie voor het Onderwijs dat steeds meer scholen nieuwe concepten uitproberen. Ik constateer binnen het basisonderwijs grotere schoolbesturen die zich met name richten op de ‘achterkant’ van de organisatie. Zorgen dat de financiën, huisvesting en ICT op orde zijn en dat de organisatie in dat kader voldoet aan alle landelijke en Europese wet-en regelgeving. Daarmee worden basisscholen ontzorgd en die kunnen zich daardoor meer richten op het verbeteren van het onderwijsklimaat. Waarbij met name, vanuit de behoefte van het kind, ingezet wordt op een breder palet in het aanbod om zo kinderen meer uit te dagen, hun talenten te leren vinden en herkennen en meer vanuit intrinsieke motivatie zich verder willen ontwikkelen.

In de overtuiging dat deze zoektocht naar een bredere leef-, speel-, leer- en werkomgeving voor kinderen uiteindelijk leidt tot een betere samenleving en betere invulling van ieders rol daarin, ook economisch, is het dus van groot belang om de voorwaarden voor deze ontwikkeling, die dus steeds beter worden in het basisonderwijs, ook in de kinderopvang te realiseren.

Als de rigide wet- en regelgeving in de kinderopvang, ingegeven door papieren schijnveiligheid, verminderd wordt, zodat pedagogisch medewerkers zich meer kunnen richten op het versterken van het leef-, speel-, leer-, en werkklimaat van de kinderen en van zichzelf, zal de bijdrage van de kinderopvang aan die gelukkige samenleving enorm kunnen vergroten.

Heerhugowaard, 12 april 2019

Adrie Groot, www.blosse.nl